De SCIOS heeft duidelijke richtlijnen opgesteld voor inspecties.
Installaties met een gasverbinding (standaard brandstoffen):
Voor installaties groter dan 100 kW is een inspectie elke vier jaar verplicht.
Installaties met een olie aansluiting:
Brandstofleidingen:
Installaties die voor 20-12-2018 zijn gebouwd, moeten voor 1-1-2030 een NOx-meting ondergaan als het vermogen tussen 1 en 5 MW ligt. Voor installaties tussen 5 MW en 20 MW is een nieuwe meting vereist voor 1-1-2028, en voor installaties groter dan 20 MW voor 1-1-2026.
Als er een NOx-meting uitgevoerd moet worden, vergeet dan niet dat de installatie-eigenaar tenminste twee weken tevoren bevoegd gezag over de meting moet informeren.
Het onderhoud dient te geschieden “zoals een goede huisvader betaamt.” Dit onderhoud kan verplicht worden gesteld tijdens een PI-EBI in verband met achterstallig onderhoud en moet binnen veertien dagen worden uitgevoerd. Het is niet verplicht dat de uitvoerende partij gecertificeerd is; de her-inspectie zal bepalen of het onderhoud correct is uitgevoerd. De EBI-er legt in het basisverslag de onderhoudsfrequentie vast, die tijdens de inspectie moet worden gecontroleerd.
Vitotherm heeft in zijn handleiding opgenomen dat jaarlijks onderhoud aan de installatie moet worden uitgevoerd om de kwaliteit en veiligheid te waarborgen.
Eventuele gebreken dienen binnen veertien dagen volgens BBL te worden hersteld. Dit betreft onderhoud en niet de ingebrekestelling van de installatie na oplevering, evenals openstaande of niet-afgeronde punten.
BBL: Dit betreft de gebouw gebonden installaties (scope 1, 2, 7).
BAL: Dit betreft de niet-gebouw gebonden installaties en alles wat met uitstoot te maken heeft (scope 3, 4, 5, 6, 7).
Standaard brandstoffen: Aardgas, propaangas, butaangas, vergistingsgas, lichte olie, halfzware olie, gasolie, biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214, rie-biomassa en pellets gemaakt uit rie-biomasse, voor zover wordt gestookt in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15MW (15.000kW) en het lozen van koelwater met warmtevracht van meer dan 50MW (50.000kW) op een oppervlaktewaterlichaam, afkomstig van de milieubelastende activiteit stookinstallatie.
Niet- standaard brandstoffen: Alle brandstoffen die niet onder de standaard brandstoffen vallen.
Het handhaven van de juiste CO₂-concentratie in de kas is noodzakelijk om beoogde productieniveaus per vierkante meter te realiseren. Dit beïnvloedt de manier waarop verwarmings- en verbrandingssystemen worden ontworpen en bedreven.
Wanneer CO₂ als productiefactor wordt benaderd, moet de installatie meer leveren dan alleen warmte. Gaszuiverheid, emissiewaarden en bedrijfszekerheid bepalen of de geproduceerde CO₂ veilig in de kas kan worden toegepast.
Vitotherm ontwikkelt CO₂-oplossingen als geïntegreerde systemen. Daarbij wordt de totale CO₂-behoefte berekend, het distributienetwerk ontworpen, ventilatiecomponenten geselecteerd en detectiesystemen geïmplementeerd voor veilige toepassing.
Naast traditionele keteloplossingen worden ook alternatieve bronnen toegepast, zoals gezuiverde CO₂-stromen of vloeibare opslag. Ongeacht de bron blijft gecontroleerde distributie en veiligheid essentieel.
Door CO₂ te benaderen als integraal onderdeel van de kasproductie in plaats van als secundaire emissie, kunnen installaties worden afgestemd op zowel productie-eisen als geldende regelgeving.
“In de tuinbouw draait het om continuïteit. Warmte moet beschikbaar zijn, CO₂ heeft directe invloed op de productie en installaties worden intensief gebruikt”, aldus Ed Roeleveld. Dat vraagt om oplossingen die betrouwbaar zijn en blijven functioneren, ook wanneer omstandigheden veranderen.
Industriële installaties draaien zelden onder stabiele en voorspelbare omstandigheden. De kwaliteit van biogas fluctueert. Restgassen uit het productieproces moeten soms worden mee verbrand. Emissie-eisen zijn niet alleen Europees bepaald, maar worden ook lokaal aangescherpt. En stilstand is geen optie.
Wanneer de brandstofsamenstelling varieert, wordt vlamstabiliteit bepalend. Een brander die uitstekend functioneert op aardgas gedraagt zich niet automatisch hetzelfde bij laagcalorisch biogas. Als calorische waarden sterk uiteenlopen, moet stabiliteit vanaf het begin worden meegenomen in het ontwerp. Dat betekent dat verbrandingsruimte, luchtregeling, ontstekingsgedrag en rookgasrecirculatie onderdeel worden van het ontwerptraject.
Een catalogusbrander gaat uit van voorspelbaarheid. Industriële processen zijn dat zelden.
In veel projecten vindt eerst overleg plaats met ketelfabrikant of installateur. Welke ketel wordt toegepast, hoe ziet de vuurgang eruit, welke emissiewaarden moeten worden gehaald, hoe zal de installatie worden bedreven en hoe varieert de brandstofkwaliteit in de praktijk. Pas wanneer die parameters helder zijn, kan een branderconfiguratie worden vastgesteld die langdurig betrouwbaar functioneert.
Wie de brander als los component beschouwt, introduceert risico. De brander is onderdeel van de ketel, de ketel is onderdeel van het proces, en het proces bepaalt de eisen. Alles hangt samen. Wanneer één element wordt gestandaardiseerd terwijl het proces dat niet is, ontstaan er beperkingen. Wij zeggen altijd: de combinatie maakt het resultaat.